Nieuwe wet ter bescherming van bedrijfsgeheimen

Tot op heden bestond er geen wettelijke regeling ten behoeve van de bescherming van bedrijfsgeheimen bestaande uit niet openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie.

Dit gebrek werd door geheimhoudingsovereenkomsten en non-concurrentiebedingen opgevangen. Contracten binden echter alleen de contractspartijen en niet derden.

Het wetsontwerp bescherming bedrijfsgeheimen dat wordt beschouwd als een opvulling voor deze wettelijke leemte is op 16 oktober 2018 in de Eerste Kamer aangenomen. De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Een wettelijk kader is geschapen voor de houder van een bedrijfsgeheim om juridische procedures te starten tegen een (rechts)persoon die diens bedrijfsgeheim onrechtmatig verkrijgt, gebruikt of openbaar maakt. De bedoeling is dat hiermee innovatie en concurrentie in de EU worden bevorderd.

De nieuwe wet biedt de houder van een bedrijfsgeheim een aantal juridische maatregelen die hij kan treffen tegen vermeende inbreukmakers. De voorzieningenrechter kan bijvoorbeeld op vordering van de houder van een bedrijfsgeheim de staking van of het verbod op het gebruik of de openbaarmaking van het bedrijfsgeheim bevelen. De rechter kan op vordering van de houder van een bedrijfsgeheim bevelen om inbreuk makende goederen van de markt terug te roepen. Ook bestaat de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen van de inbreukmaker. Voorwaarde is wel dat de houder van een bedrijfsgeheim redelijke maatregelen heeft getroffen ter bescherming van het geheim. De houder van een bedrijfsgeheim moet erop bedacht zijn dat de wet niet zo ver gaat dat proceskosten en andere kosten in beginsel voor rekening komen van de partij die ongelijk krijgt, zoals bij inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht. De rechter kan hiertoe wel beslissen.

De wet werkt afschrikwekkend en beoogt de positie van de houder van een bedrijfsgeheim – die bescherming voor onbepaalde tijd geniet – te versterken.

Uiteindelijk draait het om de bewijsbaarheid van een vordering. Als de houder van een bedrijfsgeheim stelt dat sprake is van een inbreuk op zijn beschikkingsrecht, zal hij dit moeten bewijzen. Dit vergt inbreng van voldoende bewijsstukken die de vordering bij de (voorzieningen)rechter kunnen staven. Indien de houder van een bedrijfsgeheim hiertoe niet in staat is en er slechts een vermoeden bestaat van inbreuk op zijn recht, zal de houder van een bedrijfsgeheim bij de rechter niets gedaan krijgen.

De opbouw van een goed procesdossier is derhalve noodzakelijk. Voorts is het voor bedrijven aan te raden in kaart te brengen en te houden wat de waardevolste bedrijfsgeheimen zijn, zodat nagedacht kan worden over te treffen (technische) maatregelen om dergelijke geheimen te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit invoering of aanpassing van interne beleidsregels of aanscherping van concurrentiebedingen in arbeidscontracten.

Mocht u naar aanleiding van dit onderwerp vragen hebben, aarzelt u dan niet om contact met ons opnemen:

 

Stefano Francovich: s.francovich@meritadvocaten.com, +31 (0)20 310 99 83

Mareille Tol: m.tol@meritadvocaten.com, +31 (0)20 310 99 82

 

Hoewel Merit Advocaten & Adviseurs zorgvuldigheid in acht nemen bij het samenstellen en onderhouden van dit memorandum en daarbij gebruik maakt van bronnen die betrouwbaar geacht worden, is dit memorandum niet bedoeld als juridisch advies en kunnen wij niet instaan voor de juistheid, volledigheid en actualiteit van de geboden informatie. Merit Advocaten & Adviseurs wijzen iedere aansprakelijkheid ten aanzien van de juistheid, volledigheid en actualiteit van de geboden informatie van de hand.